Log in

Klik hier om in te loggen


Wachtwoord vergeten?

Nog geen inlog? Registreer nu
Om misbruik van dit formulier door spamrobots te voorkomen, vragen wij u hier het controlewoord stowa in te vullen!

Effecten op landbouw en natuur

Landbouw
De landbouw in Nederland gaat met een aantal klimaateffecten te maken krijgen (Blom et al. 2008). Dit kunnen zowel positieve als negatieve effecten zijn: het groeiseizoen wordt langer, maar er zullen ook meer extreme gevallen van droogte en wateroverlast ontstaan. Voor de veenweidegebieden, met als hoofdgebruik melkveehouderij, is te verwachten dat het langere groeiseizoen wellicht niet veel voordelen zal bieden, omdat er door vaak voorkomende vernatting in het voorjaar en in de herfst moeilijk gemaaid en begraasd zal kunnen worden. Wanneer er meer perioden van extreme droogte komen, zal dit leiden tot een grotere behoefte aan inlaatwater, en als dat onvoldoende beschikbaar is, tot droogteschade en oogstverlies. Wanneer weilanden daarentegen onder water lopen, kan de schade aan het gras nog groter zijn en kunnen ook algen een probleem gaan vormen. Hoewel verzilting als gevolg van klimaatverandering zich grotendeels lijkt te beperken tot de droogmakerijen, kunnen er bij extreme droogte tekorten aan zoet water van voldoende kwaliteit ontstaan en kunnen veenweidegebieden (b.v. Midden Delfland, Laag Holland) te maken krijgen met brak inlaatwater.

Klimaatverandering kan de landbouw ook kansen bieden (Blom-Zandstra & Goosen 2010). Door veredeling kunnen gewassen hitte-, droogte- en zoutresistenter worden gemaakt. De landbouw kan zich ook verbreden, waarbij riet, algen en eendenkroos kunnen worden opgekweekt als grondstof voor veevoer of als biobrandstof. Dit past in een mogelijke transitie naar een 'biobased economy'. Tenslotte wordt door technologische innovaties de landbouw steeds meer een precisie-activiteit, waarbij uitgaande van detailinformatie over meteorologie en terreingesteldheid zeer gerichte teeltmaatregelen genomen worden.

Natuur
Net als de landbouw zal ook de natuur gevolgen ondervinden van de klimaatverandering. Uit landelijke studies is gebleken dat de Nederlandse natuur niet klimaatbestendig is bij het huidige natuurbeleid. Een groot adaptief vermogen is belangrijk voor klimaatbestendigheid van de natuur. De vraag is daarom of eigenschappen die het adaptief vermogen bepalen – biodiversiteit, omvang, kwaliteit van condities, heterogeniteit, dynamiek en ruimtelijke samenhang van gebieden – voldoende sterk zijn ontwikkeld om de gewenste klimaatbestendigheid te garanderen. (Heijmans en Berendse 2009, Barendregt et al. 2010).

  1. Veel gebieden zijn te klein en te versnipperd, ook na uitvoering van de ecologische hoofdstructuur (EHS). Bij optimale standplaatscondities zullen natuurgebieden groot genoeg zijn voor naar schatting twee derde van de faunasoorten. Wanneer echter rekening wordt gehouden met klimaatverandering, dan geldt dit nog maar voor de helft van de soorten. De omvang van de gebieden is niet het enige ruimtelijke knelpunt. De afstanden tussen de natuurgebieden moeten voor dieren en planten zijn te overbruggen, zodat ze kunnen mee-migreren met de klimaatzones. Uit een steekproef blijkt dat in Nederland 40 procent van de diersoorten een of meerdere locaties heeft waar de gebieden te ver uit elkaar liggen om migratie mogelijk te maken
  2. De milieudruk op natuur neemt de laatste decennia af (PBL 2012). Ondanks deze afname blijven verdroging, vermesting en verzuring een belasting voor de natuur. Klimaatverandering kan deze knelpunten mogelijk versterken. Afhankelijk van de omvang en de richting van de klimaatverandering zal dit zowel positieve als negatieve effecten hebben op de standplaatscondities.

 
In 2011 is in opdracht van de provincie Zuid-Holland een studie verricht naar de te verwachten gevolgen van klimaatverandering voor de natuur in acht Natura-2000 gebieden die de basis vormen van de plannen voor een moerascorridor in het Groene Hart (zie kaart met namen). Deze quick scan is uitgevoerd op basis van een eenvoudig hydrologisch model, en maakte gebruik van kennistabellen van onder andere kwetsbaarheden van natuurtypen voor verzilting, verdroging en eutrofiëring en is verder ingevuld met behulp van expertkennis. De resultaten zijn met behulp van signaalkaarten zichtbaar gemaakt (Verhoeven et al. 2011), zie figuur signaalkaart.

Los van klimaatverandering staan enkele typen natuur in de acht gebieden momenteel al onder druk. De aquatische natuur heeft erg te lijden door eutrofiëring en veel terrestrische natuur is kwetsbaar voor verdroging. Zonder proactieve maatregelen zullen problemen ontstaan met het realiseren van Natura2000 doelen en het functioneren van het watersysteem in de nabije toekomst.

Kijkend naar klimaatscenario’s voor 2050 wordt geconcludeerd dat de problemen groter worden onder klimaatverandering en het grootst zijn in het W+ scenario van het KNMI. Verzilting kan een groot probleem worden in gebieden zoals Groot Wilnis Vinkeveen, maar er zijn ook enkele gebieden met een matig risico op verzilting – zoals de Botshol (Verhoeven et al. 2011). In sommige gevallen kunnen de risico’s beperkt blijven bij proactief waterbeheer, mits voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar kan blijven.

Aquatische natuur wordt kwetsbaarder voor eutrofiëring in het W-scenario – met name door externe aanvoer –vooral in de gevoeligste typen van de Botshol, Molenpolder en polder Nieuwkoop. Dit verergert in deze gebieden en in het Naardermeer onder W+, vanwege aanvoer van SO4-rijk water. Ook hier kan proactief waterbeheer een belangrijke rol spelen. Sulfiderijke sloten zijn een groot probleem in de Botshol, die naar verwachting ook in de toekomst moeilijk oplosbaar zullen blijken. Het risico op interne eutrofiëring in nieuwe natuurgraslandpercelen is klein, behalve in de Krimpenerwaard (matig risico) en de Oostelijke Binnenpolder Tienhoven (groot risico). Het risico op verdroging van natte natuur is groot, vooral in scenario W+ en voor de gevoeligste typen. De natuur in de Krimpenerwaard en polder Oukoop is (bij uitgevoerde vernatting) weinig kwetsbaar voor verdroging. Zonder deze vernatting is de kwetsbaarheid voor verdroging groot. Het proces van maaivelddaling treedt dan versneld op.

Bij het scenario W+ zijn grote problemen (verzilting en eutrofiëring van aquatische natuur) te verwachten wanneer het waterbeheer gelijk blijft aan nu. Bij proactief waterbeheer kunnen deze problemen worden verminderd. Een belangrijke vraag: is er voldoende zoet water van voldoende kwaliteit voorhanden, ook bij het W+ scenario?

De effecten van klimaatverandering worden ook meegenomen in het nationale beleid ter bestrijding van verdroging. Het bestaande beleid is erop gericht om de huidige watertekorten voor 2015 aan te pakken volgens de afspraken uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-actueel 2008). Er wordt gestreefd naar een robuust watersysteem, dat watertekorten (deels) kan opvangen.

In het Nationaal Waterplan (NWP) is aangegeven dat het beleid voor verdrogingbestrijding zich tot 2013 concentreert op de gebieden die op de z.g. TOP-lijsten staan. De TOP-gebieden zijn de meeste Natura 2000-gebieden met (grond)water-afhankelijke natuur aangevuld met gebieden van de Ecologische Hoofdstructuur. In 2015 moeten deze gebieden in orde zijn. Met name de provincies en de waterschappen nemen hiervoor maatregelen zoals het verhogen van grondwaterstanden in buffergebieden en herstel van kwel in en om de natuurgebieden. De acht eerder genoemde N2000 gebieden in de westelijke veenweiden zijn alle als TOP-gebied geclassificeerd. Ook in Friesland en Noordwest Overijssel zijn veel N2000 aangewezen als TOP-gebied.  Voor al deze TOP-gebieden geldt dat de gevolgen van klimaatverandering de verdroging zullen verergeren. Alle maatregelen die nu al genomen worden kunnen gezien worden als ‘no-regret’ maatregelen; in de toekomst zal meer nodig zijn om de gebieden te beschermen tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering.

TOPgebieden Verdroging binnen veenweidegebieden

  • Oostelijke Vechtplassen
  • Nieuwkoopse Plassen en de Haeck
  • Botshol
  • Kamerikse Nessen
  • Polder Groot Wilnis Vinkeveen
  • Groot Mijdrecht Zuid
  • Eilandspolder
  • Polder Zeevang
  • Wormer- en Jisperveld en Kalverpolder
  • Ilperveld, Oostzanerveld, Varkensland en Twiske
  • Polder Westzaan
  • Naardermeer
  • Oostelijke Vechtplassen
  • Polders Stein, Sluipwijk
  • Oukoop-Negen-Viertel
  • De Weerribben
  • Rottige Meente