Log in

Klik hier om in te loggen


Wachtwoord vergeten?

Nog geen inlog? Registreer nu
Om misbruik van dit formulier door spamrobots te voorkomen, vragen wij u hier het controlewoord stowa in te vullen!

Specifieke effecten in de veenweiden en ondiepe wateren

Voor de veenweidegebieden speelt vooral dat een aantal reeds bestaande knelpunten door de verwachte klimaatveranderingen worden verergerd. Veenweiden, gedraineerde voormalige veenecosystemen, vertonen een continu dalende bodem doordat het veen bij ontwatering krimpt en door oxidatie in kooldioxide en water wordt omgezet. Deze bodemdaling vindt al eeuwenlang plaats, maar is sterk versneld met de diepere ontwatering die de laatste decennia in Nederland gebruikelijk is. In West-Nederland is de 'drooglegging' meestal rond 60 cm (het waterniveau bevindt zich 60 cm beneden maaiveld), terwijl in Noord-Nederland de drooglegging vaak rond de 1 m is. Recente cijfers over bodemdaling geven aan dat deze in West-Nederland 0.5 tot 2 cm per jaar bedraagt, afhankelijk van het al dan niet aanwezig zijn van een kleilaag en het grondgebruik: bij maisteelt is de bodemdaling sneller dan bij graslandgebruik. In Friesland is de daling in de afgelopen decennia sneller verlopen (1,5 tot 3 cm / jaar) als gevolg van het gecombineerd effect van oxidatie, klink en krimp na de sterke peilverlaging (soms tot 120 cm –mv) bij de landinrichtingsprojecten uit de jaren 60/70.

Klimaatverandering zal leiden tot een snellere bodemdaling vanwege hogere temperaturen en lagere waterstanden in de zomer. De bodemdaling kan plaatselijk tot problemen leiden omdat structuren voor het waterbeheer (kades, stuwen, gemalen) op den duur moeten worden aangepast; een kostbare aangelegenheid. Een tweede klimaateffect is de verslechterende waterkwaliteit in de vele plassen en meren in het veenweidegebied. Door de te verwachten hetere en drogere zomers worden de risico’s op bloei van cyanobacteriën die gepaard gaat met vorming van cyanotoxines sterk vergroot. Dit kan gezondheidsproblemen veroorzaken bij dieren en kan de geschiktheid van meren en plassen als zwemwater verminderen. Deze effecten kunnen ook negatief uitwerken op de gewas- en grasgroei (verdroging) en op de kwaliteit van de vele natuurgebieden in het veenweidegebied.

Deze specifieke effecten zullen nader worden uitgewerkt in de hier volgende subrubrieken.