Log in

Klik hier om in te loggen


Wachtwoord vergeten?

Nog geen inlog? Registreer nu
Om misbruik van dit formulier door spamrobots te voorkomen, vragen wij u hier het controlewoord stowa in te vullen!

Versnelde maaivelddaling

Maaivelddaling en verdwijnende veengronden

(met bijdragen van Jan van den Akker, Alterra Wageningen-UR, Wageningen)

Eeuwenlang hadden de veenweidegebieden een hoog waterpeil. ’s Winters stond het vaak plas-dras, en in de zomer zakte het grondwater enkele decimeters uit. De dikte van de veenbodem nam daardoor slechts enkele millimeters per jaar af. Een moderne en economische landbouw is echter zo onmogelijk en daarom is in de zestiger en zeventiger jaren overgegaan op een diepere ontwatering. Daardoor nam de maaivelddaling en ook de CO2-emissie met een factor 2 tot 5 toe en verdween de oppervlakte aan veengronden steeds sneller. Steeds meer worden de nadelen van de versnelde maaivelddaling zichtbaar.

Oorzaak maaivelddaling
Oxidatie, klink en krimp zijn verantwoordelijk voor de daling van het maaiveld. Klink treedt op na het instellen van een diepere ontwatering. De bovengrond, die eerst als het ware dreef in het grondwater, komt na peilverlaging boven het water uit en het eigen gewicht drukt nu op de onderliggende lagen van veen en slappe klei, die daardoor in elkaar worden gedrukt. Daarbij wordt het water uit deze slappe lagen geperst, wat enige tijd vergt (consolidatie). Maagdelijk veen in de ondergrond bestaat voor meer dan 90% uit water. Door peilverlaging komt dit veen droog te staan en door uitzakken en vooral door uitdroging door gewasverdamping verdwijnt er veel van dit water, waarbij het veen sterk krimpt. Daarbij verandert ook de structuur en samenstelling van het veen. Een groot deel van de krimp is daardoor blijvend (irreversibel). De grootste bijdrage aan de maaivelddaling levert echter oxidatie (vertering). Bij diepere ontwatering zakt het grondwater dieper weg en komt de lucht dieper in de grond. Het aan zuurstof blootgestelde organisch materiaal wordt afgebroken en verdwijnt als CO2 de lucht in. In al die eeuwen dat het veenweidegebied al zakt is deze vertering van het veen de belangrijkste oorzaak van de maaivelddaling. Door de oxidatie zakt het maaiveld continu, en zijn om de zoveel tijd peilverlagingen noodzakelijk om de drooglegging op een bedrijfseconomisch aanvaardbaar niveau te houden. De cyclus van maaivelddaling en peilverlaging gaat door tot al het veen verteerd is.

Orde van grootte van de maaivelddaling
Een goed beeld van de maaivelddaling van een pure veengrond volgt uit de monitoring van de maaivelddaling bij de proefboerderij Zegveld. In 1966 werden de maaiveldhoogten gemeten en werd de proeflocatie verdeeld in blokken met een hoog (ca 30 cm -mv) en een laag slootwaterpeil (60 cm -mv). In 2003 (vóór de droge zomer!) zijn opnieuw de maaiveldhoogten gemeten en de maaivelddalingen bepaald. Bij de lage slootpeilen was de maaivelddaling ca. 12 mm per jaar en bij de hoge peilen ca. 6 mm per jaar. In de jaren zestig en zeventig is er naar aanleiding van de peilverlagingen veel onderzoek geweest naar de effecten ervan op de maaivelddaling. Dit gebeurde zowel in het Friese als in het Westelijk veenweidegebied (zie figuur 1). Uit de figuur blijkt dat de maaivelddaling in de Friese veenweiden gemiddeld rond 2 cm per jaar ligt. Ook blijkt de grote invloed van beschermende werking van een kleidek. In de figuur zijn de maaivelddalingen gerelateerd aan de slootpeilen. Behalve het slootpeil spelen bij maaivelddaling ook nog andere factoren een rol. Door de slechte doorlatendheid van veen heeft het slootpeil vooral nabij de sloot invloed op het grondwaterpeil. De maaivelddaling is het sterkst aan het einde van de zomer, als de verdamping en de bodemtemperatuur maximaal zijn.  Op dat moment zijn de omstandigheden voor vertering optimaal. Daarnaast spelen echter ook nog andere factoren een rol bij de maaivelddaling, zoals kwel en wegzijging, de slootafstanden,  het type veen en natuurlijk de weersomstandigheden. Door al deze invloeden zijn de verschillen in maaivelddalingen groot (Janssen en Querner 2010).

Effecten van klimaatverandering
Het veenweidegebied is kwetsbaar voor klimaatverandering, vooral omdat deze de huidige problematiek van maaivelddaling versterkt. Belangrijke klimaatinvloeden van klimaatverandering voor het veenweidegebied zijn hogere temperaturen en grotere kansen op weersextremen, zowel neerslagpieken als droge perioden met watertekorten. Deze veranderingen hebben effect op het functioneren van het watersysteem, landbouw en natuur, en versterken maaivelddaling en broeikasgasemissies. De snelheid van maaivelddaling neemt toe door hogere temperaturen en een grotere kans op langdurige zomerdroogte. Bodemprocessen, zoals mineralisatie, gaan bij hogere temperaturen sneller verlopen en de grondwaterstand zal tijdens droge perioden verder uitzakken dan nu het geval is. Niet eerder aan de lucht blootgesteld veen uit diepe lagen gaat dan door het contact met zuurstof afbreken en blijft daarna oxideren, ook als het weer natter wordt (Brouns en Verhoeven 2013).  Deze effecten zijn maximaal onder het W+ scenario.

In figuur 2 wordt het effect op de maaivelddaling schematisch weergegeven voor een veengrond met een ontwatering van 60 centimeter. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen een perceel waar het peil niet wordt aangepast aan de maaivelddaling, en een perceel waar de drooglegging op 60 centimeter wordt gehouden. Door de hogere temperatuur en de grotere frequentie van zomerdroogte zullen vooral aan het eind van de zomer de afbraaksnelheden van het veen gaan toenemen. Berekend is dat deze toename deze eeuw kan oplopen tot meer 50%.

In een studie voor de veenweiden in de provincie Zuid-Holland is in beeld gebracht welke effecten van klimaatverandering voor het Zuid-Hollandse veengebied te verwachten zijn en welke adaptatierichtingen in peilbeheer en landgebruik het mest kansrijk zijn.