Log in

Klik hier om in te loggen


Wachtwoord vergeten?

Nog geen inlog? Registreer nu
Om misbruik van dit formulier door spamrobots te voorkomen, vragen wij u hier het controlewoord stowa in te vullen!

Verbeteren van de waterkwaliteit

De waterkwaliteit in veenweidegebieden laat vaak te wensen over. Het is te voedselrijk door een overschot aan stikstof en fosfor, en vaak ook sulfaat.

De belangrijkste bronnen zijn:

  • oxiderend veen, waardoor stikstof, fosfaat en sulfaat vrijkomen
  • mest uit de landbouw
  • ingelaten rivierwater
  • afvalwater uit huishoudens en bedrijven


Klimaatverandering zal in veenweidegebieden leiden tot lagere grondwaterstanden in de zomer. Hierdoor neemt de veenoxidatie sterk toe. Dit leidt tot een toename van de maaivelddaling, maar ook de belasting met stikstof, fosfor en zwavel zal groter worden. Klimaatverandering vraagt daarom om extra maatregelen voor een betere waterkwaliteit. Natuurlijke zuivering kan effectief bijdragen aan beperking van de nutriëntenbelasting naar het oppervlaktewater.

Waterbodems bevatten vaak veel fosfaat dat door nalevering vrijkomt. Hierdoor zijn er aanzienlijke risico’s voor cyanobacteriën ('blauwalg') en zuurstofloosheid in oppervlaktewater, met name in de zomer. De grote voedselrijkdom van het water maakt dat de soortenrijkdom van het waterleven in het veenweidegebied vaak beperkt is.

Ook sulfaat is in veenweidegebieden een probleemstof. Landbouwkundige drooglegging leidt tot oxidatie van de veenbodem en hierin aanwezig pyriet. Recent onderzoek toont aan dat dit de belangrijkste bron voor zwavel is in veenweiden. Ingelaten gebiedsvreemd water is een tweede, maar minder belangrijke bron. Waterbodems zijn een belangrijke tijdelijke opslagplaats van zwavel.

Een ander klimaateffect op de waterkwaliteit in Laag Nederland is verzilting. In veenweidegebieden is verzilting echter nauwelijks een probleem omdat gras hiervoor tamelijk ongevoelig is. Wel zijn bloembollen en boomteelt kwetsbaar voor verzilting. Deze teelten komen echter slechts heel lokaal voor in het veenweidegebied, en maatregelen tegen verzilting kunnen daarom op bedrijfsniveau getroffen worden. Ook verzoeting kan een probleem vormen, zoals in polder Westzaan (Noord-Holland). Hier worden maatregelen onderzocht om de zeldzame brakwatervegetatie en –fauna te kunnen behouden door het chloridegehalte van het openwater in deze polder op het niveau van 2000 mg/l te houden, zonder dat dit leidt tot problemen in de omgeving.

Maatregelen
Hieronder treft u maatregelen aan om dit knelpunt te verminderen. Door een maatregel aan te klikken opent zich een nieuw venster met daarin een korte beschrijving en een grafische uitleg.

         

Met het inzetten van rietmoerassen (helofytenfilters) (lees rapport) kan de waterkwaliteit verbeterd worden, doordat de planten nutriënten uit de bodem opnemen. Het plantmateriaal moet dan wel worden geoogst en afgevoerd. Bovendien verdwijnt er in moerassen stikstof naar de atmosfeer door denitrificatie. Voor het rendement van helofytenfilters is een voldoende verblijftijd van het water van belang, terwijl het rendement toeneemt bij een afwisseling van inundatie en droogval. Door droogval wordt ijzer weer geoxideerd voor fosfaatbinding. Helofytenfilters zijn in het veenweidegebied effectiever voor vermindering van stikstof dan van fosfaat.

Een vergelijkbare werking als helofytenfilters hebben natuurvriendelijke oevers, die gekenmerkt worden door een brede geleidelijk verlopende slootkant, die niet bemest wordt en waar vochtminnende planten groeien. Daarmee fungeren dergelijke oevers als bufferzone (lees rapport en artikel) tussen de sloot en plas en het agrarische land. Deze oevers dragen, net als helofytenfilters, niet alleen bij aan een betere waterkwaliteit, maar vergroten ook de capaciteit voor waterconservering en waterberging, verminderen de risico’s op afkalven van oevers, en bieden nieuwe leefgebieden voor moerasflora en -fauna.

De aanleg van zuiverende slootsystemen is vooral effectief om fosfaat in te vangen. De zuiveringsfunctie wordt  versterkt door de lengte van het slootsysteem te vergroten en het slootprofiel te verbreden, waardoor meer slib kan bezinken en er ook meer ruimte ontstaat voor een natuurlijke oeverbegroeiing (natuurvriendelijke oevers).

Bij flexibel peilbeheer (en lees publicatie) volgt het waterpeil de natuurlijke fluctuatie van lager zomerpeil en hoger winterpeil. Dat is in veenweidegebieden nu vrijwel altijd omgekeerd. Met flexibel peilbeheer neemt de waterbehoefte af, zodat minder boezemwater met nutriënten en sulfaat ingelaten hoeft te worden. Bovendien blijkt een flexibel peil positief te werken voor de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers. Wel moet rekening worden gehouden met risico’s voor schade aan funderingen en sterkere veenoxidatie. Deze risico’s nemen af bij gebruik van onderwaterdrains.

De verwijdering van stikstof en fosfaat kan nog worden versterkt door de sloot nabij het inlaatpunt van water uit de boezem plaatselijk te verdiepen en in te richten als slibvang. Hierin wordt voedselrijk slib opgevangen en periodiek verwijderd.

Bij inlaatpunten kunnen ook chemicaliën worden toegevoegd aan het inlaatwater om de voedselrijkdom te verminderen. Met ijzer kan fosfor worden vastgelegd, terwijl stikstof kan worden gebonden met koolstofrijke organische stof.

Het verwijderen van de fosfaatrijke en zwavelrijke waterbodem (baggeren) is een zinvolle maatregel als de externe belasting gering is. De bagger wordt meestal op de kant gezet. Hierdoor kunnen fosfaat en sulfaat tijdens regenbuien weer afspoelen naar de sloot. Door de bagger over het hele perceel te verspreiden zal af- en uitspoeling naar de sloten beperkt worden. Frequenter slootschonen kan baggeren overbodig maken.

Verhogen van het grondwaterpeil via het slootpeil, eventueel in combinatie met onderwaterdrains (en lees publicatie), vermindert de veenoxidatie en daarmee in veel gevallen ook het uit- en afspoelen van stikstof, fosfor en sulfaat. Bij een drooglegging tussen 40 en 60 cm leidt toepassing van onderwaterdrains in bijna alle gevallen tot vermindering van de belasting van het oppervlaktewater met fosfor en (in mindere mate) stikstof. Voor sulfaat geldt dat onderwaterdrains bij een diepere drooglegging (60 cm of meer) kunnen leiden tot extra belasting van het oppervlaktewater. Dit geldt vooral bij veengebieden die onder invloed hebben gestaan van zeewater, zoals op veel plaatsen in Noord-Holland het geval is.