Log in

Klik hier om in te loggen


Wachtwoord vergeten?

Nog geen inlog? Registreer nu
Om misbruik van dit formulier door spamrobots te voorkomen, vragen wij u hier het controlewoord stowa in te vullen!

Geschiedenis

Ontstaansgeschiedenis van de veenweiden

Tweeduizend jaar geleden was Nederland nog niet door menselijke bewoning beïnvloed. In het oosten waren op de zandgronden uitgestrekte loofbossen aanwezig met eiken, berken en beuken. Langs de rivieren lagen dichte alluviale vloedbossen met wilg, els en hogerop ook iep en es. De kustlijn in het westen liep ongeveer gelijk met die van nu en bestond uit zandige strandwallen. Daarachter waren uitgestrekte veenmoerassen aanwezig, die zich in de loop van 5000 jaar hadden ontwikkeld tot grote, koepelvormige hoogvenen die in de buurt van rivieren langzaam overgingen in laagveen en rivierbegeleidend bos. Zie figuur landschapsdoorsnedes (Stroeken). Deze figuur toont de ontwikkeling van een veenmoeras uit een landschap met open water. In de loop van de tijd groeit het meertje steeds verder dicht met vegetatie en gaat zich veen vormen. Eerst vormt zich laagveen in de plas zelf, dat nog in contact staat met het grondwater en naburige riviertjes. In de loop van de tijd wordt het veenpakket steeds dikker en stijgt het geleidelijk steeds meer boven de oorspronkelijke waterspiegel uit. Dan gaat zich hoogveen vormen dat alleen door regenwater gevoed wordt. Dit wordt niet alleen steeds dikker, maar gaat zich ook steeds meer in de breedte uitbreiden over het hele landschap. Zo wordt een oorspronkelijk kleine natte plek geleidelijk een zeer uitgestrekt veenlandschap. Deze natuurlijke vernatting kost veel tijd: de tijdsspanne tussen de bovenste en onderste doorsnede is minimaal 5000 jaar.

Hoe uitgestrekt de hoogveenkoepels waren en hoe dichtbij de kust ze lagen is duidelijk te zien op het kaartje van omstreeks 100 na Chr. (figuur Zagwijn).

De toppen van deze veenkoepels lagen meer dan 4 m boven zeeniveau en overstromingen vanuit rivier of zee bleven beperkt tot de riviermonden en vloedbossen.

Nadat de landbouw was gestart vanaf 800 na Chr. in de riviervlakten en kwelders, waren er vanaf 1000 na Chr. de eerste pogingen om de uitgestrekte, gevaarlijke venen te ontwateren en in cultuur te brengen. Het graven van slootjes en aanplanten van gewassen als gierst en boekweit gebeurde aanvankelijk op vrij kleine schaal en niet geheel zonder problemen. Hoewel de opbrengsten aanvankelijk goed waren, was het moeilijk om de afslag van veengronden door rivier- en kustoverstromingen tegen te gaan, zeker toen steeds meer inklinking van het veen ging optreden en veen werd afgegraven als brandstof of om zout uit te winnen. Grote delen van Zeeland zijn door dergelijke vroege veenontginningen zo kwetsbaar geworden voor overstroming, dat ze vanaf de 10e / 11e eeuw op grote schaal werden weggeslagen en geheel verloren gingen.

Kapitaalkrachtige heersers, zoals de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht, gingen vanaf de 13e eeuw investeren in de grootschalige aanleg van veenpolders. Veengebieden van enkele duizenden hectares werden omdijkt, waarbij natuurlijke grenzen zoals zandopduikingen of eerder uitgevoerde ontginningen in acht werden genomen. De nieuw te ontginnen veenpolder werden doorsneden door een hoofdwatergang. Loodrecht daarop kwamen van weerszijden de drainagesloten op afstanden van 50-100 m van elkaar. Het water werd onder natuurlijk verval geloosd op rivieren en de zee, bij lage waterstanden. Het land werd per perceel verkocht aan boeren, die langs de wetering hun boerderijen bouwden. Omdat de venen aanvankelijk flink boven zeeniveau lagen, was de drainage succesvol en groeiden de gewassen prima, gevoed door nutriënten uit het mineraliserende veen. De polder Westbroek bij Utrecht, ontgonnen in 1481, is een goed voorbeeld van zo’n veenpolder. Zie figuur ontginning Noorderpark Borger 1992. Dit kaartje van het Noorderparkgebied ten Noord-Oosten van de Vecht laat duidelijk zien hoe in de loop van de 13e tot de 16e eeuw het uitgestrekte veenmoeras geleidelijk is ontwaterd en ontgonnen. Het veenmoeras was oorspronkelijk laagveen in het Noorden door kwelinvloed vanuit de heuvelrug en in het zuiden door regelmatige overstroming met rivierwater. In het midden lag een groot hoogveen gedomineerd door veenmossen.

Maaivelddaling is inherent aan veendrainage, dus de zakking begon al meteen na de eerste ontginning. Het duurde nog enkele eeuwen voordat de percelen zo nat werden dat ze ongeschikt waren voor akkerbouw en men over ging schakelen naar beweiding door vee. De waterhuishouding werd echter steeds problematischer, totdat het inzetten van windmolens het mogelijk maakte om dieper te draineren. Op die manier werd het mogelijk om de maaivelddaling bij te houden door ook weer dieper te gaan draineren. Het werd opnieuw mogelijk om gewassen te telen op de veenpercelen, in ieder geval voor enige tijd. De toch weer optredende vernatting, in combinatie met de aantrekkende vraag naar turf vanuit de bloeiende steden in de 17e eeuw, verleidde veel boeren tot het verkopen van hun land als brandstof. De uitvinding van de baggerbeugel maakte 'natte vervening' mogelijk, die bestond uit het baggeren van veen uit de percelen tot een waterdiepte van 1 m. Daarbij onstonden smalle, langgerekte petgaten, geflankeerd door nog smallere legakkers, waarop het gebaggerde veen te drogen werd gelegd alvorens tot turfjes te worden verwerkt. Deze complexen van petgaten raakten weer begroeid met waterplanten en verlandden in de loop van de eeuwen tot rietlanden, trilveen en moerasbos. Enorme moerasgebieden met een hoge biodiversiteit, maar geheel door mensenhanden gemaakt, hebben zich zo ontwikkeld, b.v. in N-W Overijssel, de Utrechtse Vechtplassen, Nieuwkoop, De Deelen en de Alde Faenen.

Vanaf de 17e eeuw zijn sommige van de onstane grote meren weer drooggemalen. De Beemster was het eerste voorbeeld van zo’n droogmakerij. Dit leverde laaggelegen polders op met vruchtbare kleibodems, die, na aanvankelijke inklinking, niet meer verder verzakten. Deze typische, open polders zijn verspreid over het veenweidegebied op veel plaatsen te vinden.