Log in

Klik hier om in te loggen


Wachtwoord vergeten?

Nog geen inlog? Registreer nu
Om misbruik van dit formulier door spamrobots te voorkomen, vragen wij u hier het controlewoord stowa in te vullen!

Veenweidelandschap

Het veenweidelandschap van Nederland is in de eerste plaats een cultuurlandschap, dat de sporen draagt van een rijke en langdurige geschiedenis van ontginning, landbouwkundig gebruik, 'mijnbouw' en bewoning.

De combinaties van rechte lijnen in het kavel- en slootpatroon, de lintbebouwing, de meestal grilliger gevormde begrenzingen van polders in de vorm van veenriviertjes, zandopduikingen en wegen en de grote openheid geven het veenweidenlandschap een bijzonder uniek karakter en een grote schoonheid.

Voeg daar nog aan toe de bebouwing met karakteristieke boerderijen en dorpen uit vroeger eeuwen en de duidelijk in het landschap herkenbare geschiedenis van ontginning en gebruik. Het is verder de afwisseling van natuurlijke elementen als verlandende veenplassen, rietlanden, moerasbossen en weidevogelgebieden met cultuurlijke elementen als agrarische productiegraslanden, kades en afwateringskanalen die het veenweidelandschap zo aantrekkelijk maken. Stroeken en Dijkman (2010) breken een lans voor het behoud van dit unieke landschap onder de titel Groene tinten in een Mondriaan.

Frank Stroeken (2009) benoemde de volgende 7 landschappelijke kwaliteiten van de Nederlandse veenweiden:

  1. Cultuurhistorische elementen in een landschap met cultuurhistorisch grondgebruik. Zowel de boerderijen als het grondgebruik als grasland voor de melkveehouderij dateren van eeuwen her en hebben nog een goede toekomst voor zich. Er zijn relatief weinig nieuwe gebouwen in de polders neergezet.
  2. Openheid met veenweidenkwaliteit. Het gaat om weidse vergezichten die versterkt worden door het homogene grondgebruik, de lange lijnvormige elementen als weteringen, wegen, perceelscheidingen en petgat-legakkercomplexen. Daarentegen zijn veel grenzen diffuus en zacht door lintbebouwing en brede boezemwateren en plassen.
  3. Veel kleine diversiteit en net-niet-rechte lijnen, die het gevolg zijn van kleinschalig beheer van elementen als hakhoutbosjes, bloemrijke slootkanten en gevarieerde erfbeplanting met bomen en struiken.
  4. Veenweidenatuur. Hier gaat het om soortenrijke dotterbloemhooilanden, schraallanden en extensief beheerde weidevogelgraslanden (meer).
  5. Moerasnatuur met ontginningsgeschiedenis, die aanwezig is in de grote complexen van petgaten en legakkers, b.v. in de Wieden en Weerribben en in het Vechtplassengebied. Dit is veenvormende natuur, van open water tot trilveen en moerasbos, met een zeer grote verscheidenheid aan plantensoorten  en vele waardevolle fauna-elementen zoals moerasvogels (meer).
  6. Regelmatige zichtbaarheid van het water. Het netwerk van meren, plassen, kanalen, weteringen en sloten geeft het landschap een eigen karakter en zorgt voor alom aanwezige land-water overgangen die aantrekkelijke vergezichten opleveren.
  7. Infrastructuur van het natte land. De vele veenkades, stuwtjes, duikers, gemalen (waaronder oude windmolens), bruggen en smalle wegen vormen eveneens een typisch kenmerk.