Log in

Klik hier om in te loggen


Wachtwoord vergeten?

Nog geen inlog? Registreer nu
Om misbruik van dit formulier door spamrobots te voorkomen, vragen wij u hier het controlewoord stowa in te vullen!

Veenweidenatuur

Het veenweidelandschap is per definitie een cultuurlandschap. Zonder menselijk ingrijpen zou het nooit zijn ontstaan en ook niet voortbestaan. De vegetatietypen die gerekend wordt tot veenweidenatuur komen voor op veenbodems die weinig tot sterk ontwaterd zijn en een agrarisch gebruik kennen (zie tabel). Deels zijn dit botanisch waardevolle graslanden die reeds lange tijd als hooiland in gebruik zijn, zoals blauwgraslanden, kleine zeggenschraallanden, Kievitsbloem- en Pimpernelgraslanden, Dotterbloemhooilanden en Kamgrasweiden. Het beheer van deze graslanden bestaat uit één of tweemaal per jaar maaien, afhankelijk van de productiviteit, in sommige gebieden gevolgd door extensieve nabeweiding. Voor bloemrijke graslanden, zoals blauwgraslanden, Glanshaverhooilanden en Kamgrasweiden, is gefaseerd maaien van belang voor de insectenfauna. Weidevogelgraslanden worden begraasd of gemaaid. In natte graslanden in de Eilandspolder en het Ilperveld wordt tevens ruige mest opgebracht om Pitrusontwikkeling tegen te gaan. In het verleden zijn enkele van deze typen dominant aanwezig geweest in de veenweiden. Blauwgraslanden en Dotterbloemhooilanden waren vóór de intensivering van de landbouw wijd verbreid. Deze hooilanden zijn echter nagenoeg verdwenen als gevolg van bemesting en diepere ontwatering. Kamgrasweiden hebben daardoor in eerste instantie een ruimere verspreiding gekregen, maar door verdergaande intensivering zijn ook deze in areaal sterk achteruit gegaan.

Tegenwoordig komen Dotterbloemhooilanden en blauwgraslanden alleen nog in natuurreservaten voor, en worden ze voorzien van een strak peilregime dat sterk afwijkt van het peilregime van het omringende landbouwgebied. De gebieden herbergen nog steeds een grote biodiversiteit, maar wel op een klein oppervlak. Incidentele overstroming met oppervlaktewater zou de verzuring kunnen bestrijden, maar gezien de slechte waterkwaliteit is dit veelal geen optie. Kamgrasweiden waren tot de jaren ’60 vrij algemeen, maar door intensivering van het agrarisch beheer is ook dit graslandtype drastisch achteruit gegaan. Na een sterke achteruitgang in de jaren ’70 en ’80 treedt binnen de natuurgebieden vanaf de jaren ’90 een geleidelijk herstel van de vegetatie van schraallanden en moerassen op, vooral door adequaat effectgericht beheer. De verdroging en vermesting zijn sinds die periode stabiel gebleven, weliswaar op een te hoog niveau, maar de invloed van de verzuring is flink afgenomen. Met enkele gerichte maatregelen in de waterhuishouding en een consistent hooilandbeheer zijn er goede kansen op behoud van deze karakteristieke vegetaties (Verhoeven et al. 2010).

De weidevogelstand is de afgelopen 50 jaar sterk achteruit gegaan. Vooral in de Westelijke veenweidegebieden lijken de aantallen zeer sterk te dalen. Veel soorten doen het in de laatste vijf jaar gemiddeld nog slechter dan in de voorgaande jaren. De grutto ('de ambassadeur van het veenweidegebied') is in de afgelopen 10 jaar in Nederland in aantal afgenomen van 100.000 naar 60.000 broedparen. Bijna de helft daarvan broedt in de provincies Utrecht, Noord- en Zuid-Holland, terwijl ook in de Friese veenweiden grote populaties voorkomen (Gruttokaart Nederland). De Watersnip, die broedt in natte graslanden, is landelijk met 50-75% in aantal gekrompen, en ook de Kievit gaat achteruit. De kemphaan broedt alleen nog in natuurgebieden; de populatie kemphanen is sinds de jaren vijftig met 90% afgenomen. Hoewel hier ten dele sprake lijkt te zijn van verplaatsing van de populaties naar meer oostelijke gebieden (Wit-Rusland en Siberië), zijn er in enkele Nederlandse veenweidegebieden ook positieve trends en kansen (Verhoeven et al. 2010).